Cichlidenkwekers

Voor de Aquarium liefhebbers en hobbykwekers van Cichliden.

Corydoras arcuatus

Stroomlijnpantsermeerval

Herkomst:
Peru, Brazilië, Amazonegebied.

c. arcuatusUiterlijk:
Lengte 5 cm.
Deze vis heeft een zwarte lijn die over zijn flank loopt, die begint bij zijn snuit en loopt via het oog langs de rug naar de staart toe.
Ze hebben ook baarddraden.
Inrichting:
Voor deze vissen is een aquarium nodig van 80 centimeter.
De bak dicht beplanten, gebruik een fijne zandbodem waar ze lekker in kunnen grondelen, zodat ze hun baarddraden niet beschadigen.
Het is voor pantsermeervallen in ieder geval beter ze in niet te hoge aquaria te houden.
Ook een plaatselijke verhoging van de bodem is daarvoor een optie.
Die kan men heel gemakkelijk aanbrengen als onderdeel van een natuurlijke bodeminrichting.
Gebruik niet te kleine kienhoutstronken, maar redelijk grote stukken wat ook kan, is grote terrassen die worden opgevuld met niet al te grof zand.
Ze verschuilen zich dan graag in de enorme wortelbossen die zich aan Pistia stratiotes kunnen ontwikkelen.
Het warrige wortelgestel van drijvende eikenbladvarens, Ceratopterus, is misschien een nog beter alternatief.

Water:
Temperatuur: variërende van 22 graden in januari tot 26 graden in juli.
PH: 6-7,5
GH: 5-8

Voeding:
Zij eten zo ongeveer alles wat ze voor de mond komt en zijn wat dit betreft zeker niet veeleisend; levend voer als waterinsecten, enchytreeën, Tubifex, pekelkreeftjes en insectenlarven worden graag geaccepteerd, maar ook voor droogvoer en voedertabletjes halen ze zeker de neus niet op.

Karakter:
Het is een vreedzame scholenvis, die je minimaal met 6 stuks samen moet houden.
Ze zijn prima geschikt voor in een gezelschapsbak.
Niet met grotere cichliden samenhouden.
Deze vissen zijn ook gevoeliger voor vinrot en schimmel dan andere Corydoras-soorten.
Het is aan te bevelen regelmatig het water te verversen en de waterwaardes te controleren.

Kweek:
Het kweken met Corydoras arcuatus is zoals gezegd niet zo eenvoudig.
Seksueel volwassen exemplaren zijn gemakkelijk te onderscheiden, de wijfjes hebben een wat forser lichaam en zijn minder kleurrijk.
De mannetjes hebben een grotere en spitsere rugvin.
Bij twijfel kun je ze beter van boven af bekijken.
De vrouwtjes vertonen net voor de buikvinnen een uitgedijd lichaam en het totaalbeeld is wat forser.
De dieren zullen wat vlotter tot paring overgaan als je ze in een verhouding van twee mannetjes op één vrouwtje inzet.
De paring zelf verloopt zoals we al eerder in deze reeks aangaven.
De mannetjes werven door met de snuit zachte porretjes in de flank van het vrouwtje te geven.
Zij reageert hier op door te gaan rondzwemmen, waarbij ze schijnbaar willekeurig stenen, andere decoratiematerialen en plantenbladeren schoonpoetst.
Dan klemt het mannetje haar baarddraden tussen zijn borstvin en de flank.
Zij legt de eieren tussen haar buikvinnen, die ze tot een soort van tasje samengevouwen houdt en op de inmiddels bekende manier bevrucht worden.
Dan zoekt ze een geschikte plaats om ze te bevestigen.
Tegen de voorruit, een plantenblad e.d. Dit wordt verschillende keren herhaald.
Een legsel telt niet meer dan 20 tot 30 eieren.
Na het afzetten kunnen de ouderdieren uit de bak gehaald worden.
Maar ze kunnen ook in de bak gelaten worden. Het zijn geen eierrovers.
Afhankelijk van de watersamenstelling en de temperatuur zullen ze in 5 tot 8 dagen uitkomen.
De jongen zijn niet moeilijk groot te brengen en kunnen met pas uitgekomenArtemia of fijn vlokkenvoer gevoerd worden.
Als we kwalitatief hoogwaardig voer geven groeien ze redelijk snel.

 
Reacties

Nog geen reacties beschikbaar.

Plaats een reactie